PDF Afdrukken E-mail

Nederlandse brain train behoeft nieuw spoorboekje

NEWSbestuurslid Ton van den Bremer en promovendus David Ehrhardt (Oxford University) vrezen dat de Nederlandse ‘brain train’ de aansluiting mist met concurrerende kennisnaties. De gebrekkige financiering van Nederlands promotieonderzoek in het buitenland is hier mede debet aan. Kijk eens naar Canada en Noorwegen, raden zij Rutte I aan.

'Het bezuinigingsspook waart door Europa. Terwijl studenten in verzet de barricades beklimmen en kunstliefhebbers om aandacht schreeuwen, vinden wij dat juist de kennissector nu met de hakken het zand in moet. "Nederland is een treurige middenmoter en gaat nu verder afzakken" voorspelt Rinnooy Kan over de toekomst van onze kenniseconomie. Om dit te voorkomen breken wij een lans voor de broodnodige investeringen in de internationale kennisinfrastructuur, de katalysator van ons onderzoek en onze economie.

De top 5 ambitie

"Nederland heeft de ambitie om te behoren tot de top vijf van kenniseconomieën", zo opent het kabinet Rutte-I ambitieus de paragraaf over onderwijs in zijn regeerakkoord. Maar dit nobele streven wordt niet gerealiseerd enkel door beloftes: kamerbrede steun voor de motie-Hamer, talrijke rapporten van evenzoveel overlegorganen, en de ambitieuze doch niet gehaalde Europese Lissabondoelstellingen. Zoals één van die rapporten, dat van de commissie Veerman, het kernachtig formuleert "zal Nederland haar plaats moeten bevechten op een sterk concurrerende wereldmarkt".

Die concurrentie komt uit Europa en Noord-Amerika, maar in toenemende mate ook uit landen als China en India. Worden hier nu nog vooral productiegoederen voor de Nederlandse markt gefabriceerd, het zwaartepunt zal zich snel verplaatsen naar meer kennisintensieve sectoren. De concurrentie voor Nederlandse bedrijven en instellingen actief in deze sector zal alleen maar toenemen.

Deze landen hebben overigens wel begrepen dat er in het buitenland veel te leren valt en sturen recordaantallen wetenschappers naar buitenlandse onderzoeksinstellingen. Onderzoek aan Nederlandse instellingen gaat gebaat bij internationalisering in de vorm van samenwerking met buitenlandse instellingen en andersom.

De brain train

De traditionele termen van 'brain drain' en 'brain gain', die de discussie jarenlang hebben gedomineerd, moeten plaats maken voor een nieuw concept: de Brain Train. Internationaal mobiele onderzoekers die kennis overbrengen van instituut naar instituut en van land naar land, vormen de spil in dit systeem: de treinen. Het is dan van belang dat de bereikbaarheid van 'station Nederland' optimaal is, zowel voor arriverende als vertrekkende treinen. Omdat iedereen uiteindelijk de vruchten plukt van een dergelijke kennisinfrastructuur, is het een eenvoudige economische noodzaak dat regeringen, ook de Nederlandse, daarin investeren.

Kijkend door de bezuinigingsbril van het kabinet Rutte blijft de scherpe tegenstelling tussen ambitieuze doelstellingen en concrete maatregelen onopgemerkt. Het kabinet gaat daarmee voorbij aan de opbrengsten van een geïnternationaliseerde onderzoekssector. De afschaffing van het Rubicon beurzenprogramma - een daad van het vorige kabinet bij het dichttrekken van de deur - en de gebrekkige financiering voor Nederlandse promovendi in het buitenland zijn hier pijnlijke voorbeelden van.

Drie tot zeven jaar zonder salaris

Het Rubicon beurzenprogramma bood sinds 2005 recent gepromoveerde wetenschappers de mogelijkheid om maximaal twee jaar onderzoek te doen aan de beste universiteiten in het buitenland. Sinds de start zijn in totaal 211 onderzoekers gefinancierd. Een groot aantal van hen hebben posities gekregen op de universiteiten van Harvard, Berkeley, Oxford en Cambridge. Het programma heeft daarmee haar doelstellingen ruimschoots bereikt. Een conclusie die gedeeld werd door de onafhankelijke evaluatie eerder dit jaar.

Een vergelijkbaar verhaal is te vertellen over de al jaren gebrekkige financiering van promotieonderzoek door Nederlandse onderzoekers in het buitenland. Anders dan in Nederland wordt een promotieonderzoek in veel landen gezien als studie. In de financiële praktijk betekent dit: drie tot zeven jaar werken zonder salaris, maar met torenhoge collegegelden en andere studiekosten. Financiering van promovendi geschiedt bij buitenlandse universiteiten veelal via beurzen, maar die zijn slechts bij uitzondering volledig toegankelijk voor buitenlanders - zeker als die uit een rijk land als Nederland komen.

Zoals het ook kan: Canada en Noorwegen

De Nederlandse financiering van haar jonge onderzoekers steekt daarmee schril af bij vergelijkbare landen, kennisnaties met een gas- en oliereserve voor hun begroting zoals Canada en Noorwegen. Zo verstrekt de Canadese overheid via de zogeheten research councils volledige beurzen aan promovendi en jonge onderzoekers. Deze beurzen kunnen zowel in Canada als daarbuiten gebruikt worden, zolang het onderzoek van belang is voor de Canadese samenleving.

In Noorwegen zijn promovendi net als in Nederland werknemers met een vast salaris. Daarnaast verstrekt de Noorse overheid genereuze beurzen aan Noorse promovendi die hun onderzoek in het buitenland willen doen.

Het zijn juist dergelijke maatregelen die met zeer beperkte kosten een essentiële bijdrage leveren aan de verwevenheid in de internationale kennisinfrastructuur. Zeker in het licht van de toenemende concurrentie op een zich steeds meer globaliserende wereldmarkt, is investeren in onderzoek en kennis voor Nederland evenmin alleen nut, maar ook noodzaak.'

Ton van den Bremer is MPhil student aan de Universiteit van Oxford en bestuurslid bij NEWS. David Ehrhardt promoveert aan de Universiteit van Oxford.

Dit artikel verscheen 13 december 2010 op ScienceGuide, hét online nieuwsmagazine over de Nederlandse kennissector waarin de bijdrage van kennis en innovatie aan de maatschappelijke en economische ontwikkeling centraal staat

 

Evenementen